Muziektheorie in het kort
|
 |
De voortekens in een muziekstuk zorgen ervoor dat
u een verandering van tonaliteit kunt aangeven. Zo
kan bijvoorbeeld de toonladder binnen het stuk
worden gewijzigd.
Hier staat de lijst van alle noten die binnen een
octaaf kunnen worden gespeeld:
1
|
2 |
3
|
4 |
5
|
6
|
7 |
8
|
9 |
10
|
11 |
12
|
| C |
C#
of Db |
D |
D#
of Eb |
E |
F |
F#
of Gb |
G |
G#
of Ab |
A |
A#
of Bb |
B |
Elke noot is een halve toon lager dan de
volgende.
Een majeure toonladder heeft zeven noten met
onregelmatige intervallen tussen iedere noot. Vanaf
de grondtoon van de ladder zit iedere noot op de
locaties voor de halve tonen van +2, +4, +5, +7, +9
en +11. Bij een ladder voor C majeur zijn dit de
halve tonen 1, 3, 5, 6, 8, 10 en 12. Dat is de
toonladder C, D, E, F, G, A, B.
Bij de D majeur toonladder volgt uit de volgorde van
de intervallen een toonladder die is opgebouwd uit
de halve tonen 3 (de grondtoon), 5, 7, 8, 10, 12 en
14. Halve toon #14 is in feite de 2e halve toon van
het volgende hogere octaaf.
De D majeur toonladder is dus D, E, F#, G, A, B en
C#.
In een muziekstuk dat gebruik maakt van de
toonladder D zijn alle F en C noten gekruist. Om
de notatie duidelijker te maken, worden deze twee
kruisen slechts één keer getekend, en wel direct
na de sleutel. Zo wordt
aan de uitvoerder verteld welke toonsoort gebruikt
zal worden. Op deze manier worden ook de standaard
voortekens (de noten met de kruisen en de mollen)
aangegeven.
Om te bepalen welke toonsoort in een muziekstuk
gebruikt wordt, telt u het aantal kruisen en
mollen dat na de sleutel staat:
Aantal kruisen
|
Majeure toonsoort
|
Mineure
toonsoort
|
|
Aantal mollen |
Major Key |
Minor
key |
|
0
|
C
|
Am
|
|
0
|
C
|
Am
|
|
1
|
G
|
Em
|
|
1
|
F
|
Dm
|
|
2
|
D
|
Bm
|
|
2
|
Bb
|
Gm
|
|
3
|
A
|
A#m
|
|
3
|
Eb
|
Cm
|
|
4
|
E
|
C#m
|
|
4
|
Ab
|
Am
|
|
5
|
B
|
G#m
|
|
5
|
Db
|
Gbm
|
|
6
|
F#
|
D#m
|
|
6
|
Gb
|
Ebm
|
|
7
|
C#
|
A#m
|
|
7
|
C
|
Abm
|
De groep van deze tekens die direct na de sleutel
worden geplaatst, vormen samen de vaste
voortekens.
In het algemeen zijn de voortekens binnen het
muziekstuk op alle notenbalken van toepassing.
Sommige instrumenten, zoals de klarinet, de
saxofoon, de trompet of de hoorn, spelen de noot
niet precies zoals hij op de notenbalk staat. Zij
spelen de noot met een aangegeven aantal halve tonen
hoger of lager.
Zij worden "transponerende instrumenten"
genoemd.
 |
Tip: In de programmatuur
kunt u een notenbalk toekennen aan
een transponerend instrument.
Hiertoe gebruikt u de menu optie
"Notenbalk>Transponerend
instrument instellen". U kunt ook
"Pas transponerend instrument toe"
gebruiken in het contextuele menu
van de de notenbalk . |
|
Een voorbeeld: op de notenbalk voor een hoge
klarinet worden de noten twee halve tonen beneden de
werkelijk geschreven noot gespeeld.
Als de C noot in het muziekstuk staat, dan speelt de
klarinet een Bb. Het is een Bb transponerend
instrument. Om met een klarinet een opgaande C
notenbalk te spelen (dat wil zeggen de noten C, D,
E, F, G, A en B), dan moet u D, E, F#, G, A, B en C#
opschrijven. Dat is een D majeur notenbalk.
Als het hele muziekstuk in C majeur is geschreven en
geen vaste voortekens heeft, dan heeft de notenbalk
voor de klarinet twee vaste voortekens. Het lijkt
dus net alsof het in de toonsoort D majeur werd
geschreven.
 |
Opmerking: De
programmatuur breidt de notie van
transponerende instrumenten uit
naar ieder instrument dat de noot
niet precies speelt zoals hij is
opgeschreven.
Dit betekent dat instrumenten
zoals de piccolo of de bas, die
geen transponerende instrumenten
zijn, eveneens meegenomen worden
als u daarvoor kiest. |
|
Locatie
|
 |
Een verandering van de toonsoort wordt altijd
geplaatst aan het begin van een maat. U kunt een
verandering van de voortekens in iedere maat van
het muziekstuk plaatsen.
Dit betekent dat een notenbalk bijvoorbeeld met de
toonsoort C majeur kan beginnen, om een aantal
maten later omgezet te worden naar een F majeur.
Wijzigen
|
 |
Algemene wijziging:
Om de algemene toonsoort van een muziekstuk te
wijzigen, kiest u "Partituur>Toonaard en
voortekening". Het bewerkingsvenster voor de
toonaard en de maten wordt dan getoond.
Lokale wijzigingen:
Er is een toegespitst palet
("Vensters>Sleutel & maat/toonsoort
hulpmiddelen") beschikbaar. Het palet bevat de
hulpmiddelen voor het wijzigen van de toonsoort,
de sleutel en de maataanduiding.
Klik op de toonaard knop (het icoon toont twee
kruisen) en klik nu op een maat. Het venster
voor het bewerken van de toonaard wordt nu
geopend.
Selecteren van een toonaard
|
 |
In het wijzigingsvenster kiest u de tab "Bewerk
toonaard". Bovenaan het venster ziet u nu een
voorbeeld van de toonaard die nu nu gaat wijzigen.
Met de schuifbalk kunt u van de huidige toonaard
kruisen en mollen aanbrengen of juist verwijderen.
Gevorderde gebruikers kunnen ook hun eigen
toonaard definiëren. Hiertoe bepalen zij de
gewenste keuze aan de rechterkant. Daaronder geven
zij de grondtoon aan.
Met de "Toon sleutel" checkbox kunt u
aangeven of de toonaard wel of niet wordt
weergegeven. Geef echter geen onzichtbare
veranderingen van de toonaard op, vooral
om er zeker van te zijn dat uw muziekstuk leesbaar
blijft.
Het vertoon type toonaard bepaalt of
herstellingstekens worden gebruikt om eerdere
wijzigingen in de toonaard ongedaan te maken.
De Pas de veranderingen tot het einde van de
melodie toe checkbox helpt u om alle
wijzigingen in de toonaard door te zetten.
Uiteraard na de toonaard die u nu aan het bewerken
bent. Als u bijvoorbeeld de toonaard wisselt van C
naar D, dan worden alle toonaarden verhoogd met
twee halve tonen. In dat geval wordt een G
toonaard (één kruis) in het stuk omgezet naar een
A (drie kruizen).
Onderaan het venster vindt u pop-up vensters.
Hier kunt u kiezen:
• Het transponeren dat op noten
moet worden toegepast zodra een nieuwe toonaard in
het stuk wordt ingevoegd.
De noten die deze toonverandering volgen, kunnen:
- Geen wijziging krijgen: in dit geval
verandert hun schermlocatie zodanig dat zij
dezelfde toonhoogte zullen afspelen als voor
de verandering.
- Omhoog getransponeerd worden: de noten
zullen afspelen in de nieuwe toonaard, en wel
hoger dan voor de verandering.
- Omlaag getransponeerd worden: de noten
zullen afspelen in de nieuwe toonaard, en wel
lager dan voor de verandering.
- Qua locatie grafisch niet veranderd worden:
de noten blijven op dezelfde grafische locatie
op de notenbalk (maar zij zullen een andere
toonhoogte hebben vergeleken met de toonhoogte
die zij voor de verandering hadden).
• Op welke notenbalken de toonverandering moet
worden toegepast.
Dit kan enkel de huidige notenbalk zijn, alle
notenbalken in het muziekstuk, of alleen de
geselecteerde notenbalken.
Bij de laatste twee gevallen kunt u kiezen of de
verandering absoluut of relatief zal zijn.
Als hij absoluut is, dan wordt de toonverandering
toegepast zoals hij is op andere notenbalken.
Als hij relatief is, dan wordt de toonverandering
zodanig toegepast dat iedere wijziging tussen twee
notenbalken (vanwege de transponerende
instrumenten) wordt meegenomen. Verderop staat
meer informatie. Als u twijfelt, kies dan de
relatieve modus.
De absolute en relatieve modus
|
 |
Een verandering van de toonaard kan zowel absoluut
als relatief worden toegepast.
Als u hem absoluut toepast:
De nieuwe toonaard wordt ingevoegd "zoals hij is"
in alle gewenste notenbalken. Dat wil zeggen in
alle notenbalken die in dezelfde toonaard zullen
spelen op hetzelfde moment. Tenzij er
transponerende instrumenten worden gebruikt, geldt
dit in het algemeen voor alle muziekstukken. De
toonaarden worden met een bepaald aantal halve
tonen verschoven ten opzichte van de normale
toonaard. Hierdoor zal het toepassen van van
dezelfde toonverandering op alle notenbalken, ook
op die van transponerende instrumenten, verkeerde
toonaarden tot gevolg hebben.
Als u hem relatief toepast:
De programmatuur berekent het verschil in halve
tonen tussen de grondnoot van de huidige toonaard
(op de locatie waar u geklikt heeft) en de nieuwe
toonaard die u wilt invoegen. Het verschil wordt
dan toegepast op de toonaard van deze maat voor
alle gewenste notenbalken. De verandering bij
transponerende instrumenten wordt dan behouden.
Als u bijvoorbeeld een notenbalk heeft met een D
toonaard en een andere notenbalk in G, dan volgt
uit het invoegen van een E toonaard voor de eerste
notenbalk het volgende:
- Het verschil tussen de oude en nieuwe
toonaarden is E-D = 2 halve tonen
- De toonaard van de eerste notenbalk wordt
verhoogd met twee halve tonen: D+2 halve tonen =
E
- De toonaard van de tweede notenbalk wordt
verhoogd met twee halve tonen: G+2 halve tonen =
A toonaard
Wees echter voorzichtig: als u uw eigen toonaarden
gebruikt, dan kan het programma geen
verschuivingen omhoog of omlaag voor u uitvoeren
(het is niet mogelijk om te bepalen op welke
plaats de voortekens moeten worden ingevoegd en
waar dat moet zijn). Als er dergelijke toonaarden
in uw muziekstuk zijn, dan zal alleen de grondnoot
worden verschoven zoals u dat opgaf, maar de
voortekens zullen niet worden gewijzigd.
 |
Samenvattend: Het wordt
niet aangeraden om de absolute
verandering van toonaard
te gebruiken op notenbalken die
voor transponerende
instrumenten zijn.
Daar tegenover staat dat de relatieve
verandering van toonaard geen
nieuwe voortekens
berekent als u gebruik
maakt van uw eigen
gedefinieerde toonaarden.
|
|
|